Allegorisch musicerend gezelschap - Rembrandt

Allegorisch musicerend gezelschap

door Rembrandt Harmensz van Rijn (ca 1606-1669)

Een gezelschap is aan het musiceren in een kamer. Een rijk geklede jonge vrouw leest uit het muziekboek en slaat de maat. De jonge man begeleidt op harp, de man met de tulband op viola da gamba. Opvallend is de vorm van de klankgaten: f-vormig en nogal open. Achter het meisje staat een oude vrouw, ze luistert aandachtig, haar kin rust in haar hand. De jonge vrouw leunt met haar arm op de tafel, waarop een zilveren beker staat. Aan de muur hangt een schilderij. Op de voorgrond liggen stapels boeken en een luit. Links in de schaduw ligt een viool.  Pas in 1936 is het werk herkend als een echte Rembrandt.

Er zijn verschillende theorieën over de betekenis van dit schilderij. Volgens de eerste theorie is het kunstwerk een allegorie, een uitbeelding van een abstract idee of begrip. Het stilleven met de oude boeken en muziekinstrumenten op de voorgrond zou verwijzen naar de tijdelijkheid van rijkdom en vergankelijkheid van ons aardse bestaan.Volgens de tweede theorie verwijzen de muziek en het schilderij op de achtergrond, met het bijbelverhaal van Lot, naar de verleiding. Op zeventiende-eeuwse schilderijen worden muziekinstrumenten vaak afgebeeld als symbool voor de liefde en harmonie. Het kunstwerk zou een verwijzing naar de liefde kunnen zijn.

Dit is één van de vroegste werken van Rembrandt. Hij schilderde het toen hij 20 jaar oud was. Rembrandt was toen net in de leer gegaan bij de Pieter Lastman in Amsterdam, waar hij leerde composities op te bouwen.


Het Allegorisch musicerend gezelschap is te zien het het Rijksmuseum van Amsterdam